Geschiedenis

Het succes van een geheimpje

 

Left aligned imageAntoon van den Brink uit Stompwijk begon in 1928 met het bouwen van boten. Van Kolibri’s had hij toen nog nooit gehoord. Die kwamen pas in 1963. Antoon maakte al snel naam als bouwer en ontwerper. Hij bouwde honderden boten, ontwierp de nationale jeugdboot Pluis en maakte het prototype van de FD. Tussendoor vond hij een – nog steeds – geheime methode uit om zonder warmte onder druk voorgevormde rompen te maken. De absolute hit voor Van den Brink kwam in 1963. het was de Kolibri 560. Van dit jachtje werden er meer dan duizend verkocht, genoeg om de werf naar dit ontwerp te vernoemen.

Left aligned imageHet verhaal van de Kolibriwerf begint op het moment dat een zwager van Antonius Nicolaas van den Brink in 1928 aan hem vraagt een BM te bouwen. Tot die tijd kende Stompwijk het weeskind Van den Brink als een manusje van alles. Boten bouwen had hij echter nog niet gedaan. Antoon was ooit hulpje geweest op een scheepswerf, maar daar had hij alleen vletjes mogen teren. Hij had meer ervaring in het bouwen van kruiwagenwielen en luxe rijtuigen. Daarnaast leverde hij kundig werk als carrosseriebouwer. Omdat Antoon leergierig was en graag met z’n handen werkte, nam hij de klus voor zijn zwager aan. het bouwen van de BM bleek geen punt, want het bootje was al snel klaar. De zwager zag dat het een puntgave boot was en verkocht het ding binnen een week met een tientje winst. ‘Dat kan ik ook’, dacht Antoon toen hij dat hoorde. Van den Brink stortte zich vol overgave op de botenbouw. Hij wist niets van spiegels, of rompvormen, maar dat kwam vanzelf wel, vond hij. En als het soms even tegenzat, ging hij met z’n meetlint naar een concurrent om daar het een en ander na te meten. Ook haalde hij veel kennis uit boeken. Al snel vond Antoon dat BM-etjes te stomp waren. Hij wilde wel een iets anders bouwen.
Hij pakte een stuk hout en begon dat te schaven tot een model waarvan de vorm hem beviel. Het model werd vervolgens in kleine stukjes dwars gezaagd en ieder stukje werd op maat vergroot. Een nieuwe boot was ontworpen zonder dat er ook maar één tekening was gemaakt. Op deze manier ontwierp Van den Brink in de jaren twintig en dertig talloze boten.

Left aligned imageHouten zeilen

Van den Brink bleek twee gouden handjes te hebben. Hij bouwde niet alleen zeilboten, maar ook runabouts, waaronder vermaarde raceboten in die tijd. Hij voer er wedstrijden mee op de Vliet. En voor wie het wilde, timmerde hij bijvoorbeeld een Vrijbuiter in elkaar. Hij ontwierp zijn eigen schaafmachines en construeerde een apparaat waarin een lintzaag en slijpsteen werden gecombineerd. Tijdens de oorlog bouwde hij een Vrijbuiter met houten zeilen omdat zeildoek zo duur was geworden. Hij bouwde het zeil op uit smalle stroken triplex en verbond ze met touwtjes en linnen tape. Het houten zeil zat zeer inventief in elkaar, want vanuit de kuip was zelfs de bolling in de fok te regelen.

Het ei van ColumbusLeft aligned image

De oude Van den Brink wist zo een aardig belegde boterham te verdienen in de botenbouw, al moest hij er wel hard voor werken. Veel tijd besteedde hij aan het ontwikkelen van nieuwe constructiemethodes en bouwmaterialen. Hij was vooral op zoek naar een manier om z’n boten goed waterdicht te maken. Hij had een bloedhekel aan boten die na verloop van tijd steeds maar weer begonnen te lekken. De oplossing kwam letterlijk uit de lucht vallen. Een geallieerd vliegtuig had even buiten Stompwijk een reservebrandstoftank in de polder gegooid. Van den Brink vond die tank en ontdekte dat het ding van plakhout was gemaakt. Dat moest de oplossing zijn, want die tank was natuurlijk waterdicht geweest. Een onderduiker die in de buurt zat, had toevallig bij Fokker gewerkt en wist hem precies te vertellen hoe die dingen gemaakt werden.
Het plakhout bestond uit lagen fineer en lijm die in een autoclaaf (soort oven) heel warm waren gemaakt en onder druk in de vorm werden gelijmd. Zo’n autoclaaf kostte echter handenvol geld. Van den Brink wist nu dus hoe het plakhout werd gemaakt, maar die bouwmethode was voor hem veel te kostbaar. Hij ging op zoek naar andere manieren. In Den Haag kocht hij rolletjes fineer en nam ze achterop de fiets mee naar huis. Daar probeerde hij het fineer en de lijm op elkaar te persen zonder daarbij warmte te gebruiken. Na veel mislukkingen slaagde hij daar tenslotte in. De eerste boot die hij op deze manier bouwde was de Bristo-vlieger, een open zeilboot naar eigen ontwerp. Van den Brink was zelf razend enthousiast, maar anderen hadden hun twijfels. Ze hadden weinig vertrouwen in de voorgevormde romp, waarin stringers en spanten achterwege konden blijven.

Pluis

Left aligned imageDe echte doorbraak kwam pas in 1950. Het watersportverbond gaf een ontwerp van Van den Brink de titel ‘ nationale jeugdboot’. Het was de bekende Pluis. Dit bootje, uiteraard met voorgevormde romp, bestond uit vier samengelijmde fineerlagen. Deze constructie was voor die tijd al uniek, maar daar kwam nog een bij dat Van den Brink de Pluis als bouwpakket leverde. Zelfbouwers konden een kale romp kopen om daarna zelf het bootje helemaal al te timmeren. Een kaal rompje met schuurlijst en twee vast ingebouwde dekbalken kostte ƒ 210,-. Voor een kant-en-klare Pluis betaalde je toen ƒ 550,-. De Pluis bleek de ideale opvolger van de Twaalfvoetsjol als jeugdboot. De jol had jarenlang dienst gedaan als beginnersboot, maar was te duur geworden. De Pluis werd bijzonder enthousiast ontvangen, Hoofdredacteur J.Loeff schrijft in 1950 in de waterkampioen: ‘De Pluis is een echt bootje waarmee goed gezeild kan worden. Het is daarbij een vreugde voor het oog, een bezit voor ons grut om trots op te zijn, om met die liefde, die elke zeiler voor zijn boot behoort te hebben, te worden gekoesterd’. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat elke werf in Nederland de Pluis zou mogen bouwen.
Dat was in die tijd heel gebruikelijk. De sluwe Van den Brink wist echter te bedingen dat hij de enige was die de voorgevormde rompjes mocht bouwen. Zodoende werden er op de werf in Stompwijk aan de lopende band kale rompjes gelijmd. Samen met zijn zoon Leo maakte Antoon ongeveer vijf rompjes per week. Die werden naar werven door het hele land gestuurd, die ze vervolgens mochten afbouwen. In totaal maakten de Van den Brinks ongeveer vijfhonderd Pluizen.

Left aligned imagePrototype FD

Left aligned imageIn 1952 zorgden de heren Van den Brink weer voor een belangrijke stap in de geschiedenis van de werf. Ze maakten een mal voor een nieuwe tweemansboot, de Flying Dutchman. Jawel, het prototype van deze nog steeds zeer populaire boot is in Stompwijk gemaakt. De FD bezorgde de firma Van den Brink handenvol werk. De boot vond niet alleen aftrek in Nederland, maar werd ook in groten getale naar de Verenigde Staten verscheept. Toen de hausse van de FD’s na een paar jaar voorbij was, richtte vader Van den Brink zich meer op de bouw van motorboten. Hij bouwde af en toe nog wel eens een zeilboot, maar dacht dat in motorboten meer toekomst zat. Aanvankelijk had hij ook veel succes met zijn Bristo-raceboot. In de tweede helft van de jaren vijftig werden er ongeveer 250 van deze boten verkocht. De meeste gingen naar het buitenland, vooral naar Zwitserland.

Left aligned image

Een paar jaar later was de populariteit van deze boot echter sterk gedaald en Van den Brink wilde wel weer eens iets nieuws bouwen. Een (kleine) zeilboot bijvoorbeeld, want dat was toch het leukste.

Kolibri

Left aligned imageDie zeilboot kwam er al snel. Het werd de Kolibri 560. Geen eigen ontwerp dit keer, maar van een zekere heer Pfeiffer. Die was bij Van den Brink binnengekomen met onder zijn arm de tekening van een kajuitzeiljachtje van 5,60 m lengte dat zeewaardig was, onzinkbaar, zelflozend en zelfrichtend. Ook konden er vier personen in slapen. Antoon zei: ‘Dat kan niet.’. Maar zijn zonen Leo en Arnold zagen er wel wat in. Pfeiffer stelde voor dat Antoon het rompje bouwde in ruil voor de ontwerprechten. Het eerste exemplaar van de Kolibri 560 verschijnt in 1964 op de HISWA tentoonstelling. Al snel blijkt dat de werf met de 560 in de roos heeft geschoten. Het is een ruim schip voor haar lengte en zeilt uitstekend. Het grote succes is mede te danken aan het feit dat het schip zelf afgebouwd kan worden en zo voor velen betaalbaar is. De bouwpakketten gaan tot ver in de jaren zeventig als broodjes over de toonbank. Levertijden van een jaar zijn eerder regel dan uitzondering. Meestal wordt het casco in een half jaar afgebouwd. Uitzonderingen bevestigen de regel. In 2000 wordt nog een Kolibri te water gelaten die in 1975 als bouwpakket is verkocht!Na de eerste 50 exemplaren wordt het model aangepast. De negatieve spiegel wordt positief gemaakt, de bun voor de buitenboordmotor verdwijnt, de kuip wordt hierdoor groter, de kajuit wordt 10 cm naar voren verlengd en het interieur vervolmaakt. Veruit de meeste kolibries zijn volgens dit model gemaakt. Vanaf ongeveer 1978 wordt er nog wat veranderd. De kajuit wordt verlengd naar voren en er worden nog wat bouwtechnische wijzigingen doorgevoerd. De laatste 150 stuks worden zo uitgevoerd. Uiteindelijk stokt in 1980 (mede door economische crises) de verkoop nadat er 1000 exemplaren zijn gemaakt. Het succes van de 560 hield aan tot 1979.
Op aandringen van zijn twee zoons besloot de oude Van den Brink tot het ontwerpen van een nieuwe Kolibri. Het werd de Kolibri 700. Leo van den Brink nu over dit schip: ‘We kwamen er eigenlijk te laat mee. We hadden te lang geteerd op het succes van de 560. Maar ja, wat wil je, het was druk en we hadden geen tijd om aan een nieuwe boot te beginnen. Bovendien was mijn vader bang om meer mensen in dienst te nemen. Al die mensen op zijn werf, dat vond ie maar niks. Achteraf blijkt ook dat we foutjes hebben gemaakt bij het berekenen van de prijs voor de 560. De inflatie was hoger dan we dachten en daardoor vielen de opbrengsten tegen. De tijden waren veranderd en kopers zagen liever de naam van een gerenommeerd ontwerpbureau bij de tekeningen staan.

Magere jaren

Left aligned imageDe Kolibri 700 viel inderdaad tegen vergeleken met de 560. In totaal werden er tachtig van verkocht. De volgende Kolibri, de 620, werd echt een flop. Slechts acht exemplaren zijn daarvan gebouwd. Deze twee achtereenvolgende tegenvallers brachten de werf behoorlijk in moeilijkheden. In 1980 braken er tamelijk slechte tijden aan. Elke klus werd aangenomen om het bedrijf rendabel te houden. Zo maakten de Van den Brinks bijvoorbeeld wieken voor een windturbine. Ze probeerden het ook nog met een houten surfplank en met een kleine, open Kolibri: de 440. Beide projecten mislukten. Tenslotte werden de resterende financieën geïnvesteerd in de ontwikkeling van de Kolibri 900. Hiervoor was zelfs ontwerpbureau Van de Stadt & Partners ingehuurd. Het schip werd in 1985 geïntroduceerd en zorgde voor de redding van de werf. Er bleken kopers voor te zijn en een paar jaar later kon zelfs de Kolibri 800 op de markt worden gebracht.

Makkelijk voor zelfbouwers

Left aligned imageIn 1990 had Leo van den Brink het gevoel dat er wel belangstelling zou bestaan voor een wat kleiner schip met mooie lijnen. Het werd de Kolibri 660 naar een ontwerp van Cees van Tongeren van van de Stadt design. Zijn zoon Pim van den Brink was inmiddels toegetreden tot het bedrijf en samen werkten ze het plan verder uit. Hoewel de grote aantallen van voorheen niet meer werden bereikt vonden er toch nog zo’n 30 exemplaren van gemaakt. Rond 1997 werd de eerste Kolibri 1100 gemaakt. Wederom een ontwerp van Van de Stadt design wat volgens de Kolibri methode van gevormd multiplex werd vervaardigd. Als extra innovatie werd nu ook de mogelijkheid geboden om een wapening van Aramide weefsels in het romplaminaat op te nemen. Het jaar 2000 werd gevierd met de introduktie van de Kolibri 950, een klassiek ogende versie van 900.Wie van deze jachten een bouwpakket bestelde, kreeg een gelijmde rondspantromp die bestaat uit over elkaar gelijmde lagen fineer. In de romp zit een ingelijmde vlakke vloer, met daaronder kielwrangen. De vlakke bodem is natuurlijk vooral voor amateurbouwers fijn,omdat dit de afbouw vereenvoudigd. De kiel komt er pas op het laatste moment onder. Voor het afwerken leverde de werf al het houtwerk, met daarbij gedetailleerde tekeningen.

Familiegeheim

Het procédé van het onder druk verlijmen heeft Antoon van den Brink nooit verklapt. Ook zijn zoons Leo en Arnold hielden altijd hun kiezen op elkaar. Op de Kolibriwerf in Stompwijk is tegenwoordig nog een geheime ruimte waar concurrerende pottekijkers niet naar binnen kunnen gluren. In die ruimte werken de van den Brinks -naar eigen zeggen- nog steeds volgens het principe dat hun vader in de oorlog ontdekte. ‘We hebben het in de loop van de jaren alleen wat geperfectioneerd’ zegt Leo van den Brink. Vader Antoon van den Brink overleed in 1987 op 84-jarige leeftijd. Zijn zoons Arnold en Leo namen de fakkel over. Op dit moment wordt Kolibri Jachtbouw geleidt door de zoon van Leo: Pim van den Brink.

Bron: Archief familie van den Brink